Voorjaarswet

23 mei 2021

Vanuit het openstaande slaapkamerraam geeft een aanzwellende golf vogelgefluit, veraf en dichtbij, de tuin weer diepte. Voor het eerst dat jaar voel je de ‘baldadige tederheid’ van het voorjaar, zoals Nietzsche die in De vrolijke wetenschap beschrijft. Van onder de grond hervatten de plantenwortels hun gevecht met de zwaartekracht en jagen ze het water weer naar boven: enkele weken later merk je opeens de groene zweem op die over de takken van bomen en struiken hangt, en wanneer je de boomgaard in wandelt, waait de geur van perzikbloesem je tegemoet. Het is het tijdperk van Flora, de godin van de lente, de bloesem en de vruchtbaarheid. Ovidius laat haar zeggen:’ Ik geniet van de eeuwige lente, voor mij is het weer altijd schitterend,  de bomen staan steeds in blad, de grond geeft altijd voedsel. Een tuin vol fruit is mijn erfdeel, gekoeld door een bries, gevoed door een heldere bron.’

Terwijl je naar Bach luistert en de aardappelen schilt, zie je de wilde kat door de tuin sluipen, op zoek naar een vogelnest om te roven. Het is deze wreedheid van de natuur die Annie Dillard uitvoerig beschrijft in haar Pelgrim langs Tinker Creek, met een bijzondere fascinatie voor de insecten die in de lente weer massaal tot leven komen om elkaar op te eten, of om op en zelfs in elkaar te parasiteren, vaak op de meest lugubere wijze: ’Meer dan  één  insect(…) is een aanval op alle menselijke waarden, alle hoop op een redelijke god .’Zelfs de vrome Fransman J. Henri Fabre, die zijn hele leven wijdde aan het bestuderen van insecten kan een gevoel van almachtige weerzin niet onderdrukken.

Ook dat is de wet van de lente, een wet van absolute willekeur die plots haar vonnis velt; een weersverslechtering, en één enkele vriesnacht , wordt de jonge blaadjes, de jonge vruchten fataal: ’We hebben een wet , en volgens die wet moeten we sterven.’ 

Een belangrijk lentefestival in Japan is Hanami, het feest van de kersenbloesems, het is een idyllisch tafereel, bloesems die op het punt staan om te verwelken en door de wind worden weggeblazen, dat in Japan gevierd wordt met picknicks onder bloesemende bomen. Maar de bloesem is ook het symbool van de samoerai. En in haar tederheid schuilt het wrede van het ‘vlietende leven’, het vonnis van een eerste kus. Om het even wie, jij en ik.  Je wordt wakker en alles wat verloren ging, ligt nu opnieuw samengebald in de baldadige tederheid van een lente die op uitbarsten staat. Tot in deze lente ben ik jou opnieuw gevolgd, tot in het groen, tot in het uitbotten van de bladeren: een kat die zich, door de vogels gegrepen, overwonnen geeft in het ochtendlicht en met de vogels zingen gaat langs de zanglijnen in de melodie van de wet.

< Terug naar inspiratie pagina